00:00
Gluck - Iphigénie en Tauride
Iphigénie en Tauride (1779) is een tragische opera in vier bedrijven van de in Duitsland geboren componist Christoph Willibald Gluck. Hij schreef het werk voor de Franse markt, en de première in 1779 in de Parijse Academie Royale de Musique was een doorslaand succes. Iphigénie en Tauride behoort tot Gluck’s hervormingsopera’s: in dit werk diende de muziek het dramatisch verloop niet te domineren maar juist te ondersteunen. Nicolas-François Guillard baseerde zijn libretto op Claude Guimond de La Touche’s gelijknamige toneelstuk, wat uiteindelijk teruggrijpt op het beroemde Griekse drama van Euripides. Het speelt zich af kort na de Trojaanse oorlog, als Iphigénie, die door haar vader Agamemnon geofferd zou worden, door de godin Diana wordt gered. Diana brengt haar naar Tauris, waar Iphigénie haar hogepriesteres wordt. Diego Fasolis dirigeert het Orchestre National des Pays de la Loire en het Chœur d’Angers Nantes Opéra. Onder de solisten zijn Marie-Adeline Henry (Iphigénie), Charles Rice (Oreste), Sébastien Droy (Pylade), Jean-Luc Ballestra (Thoas) en Élodie Hache (Diane). Deze uitvoering werd in 2020 opgenomen in het Grand Théâtre d’Angers, Frankrijk.
01:51
Abbado dirigeert Mahler en Schönberg
Claudio Abbado (1933-2014) dirigeert het Gustav Mahler Jugendorchester (GMJO) in een uitvoering van Mahler's Symfonie Nr. 4 en Schönergs Pelléas und Mélisande, Op. 5. De karakters uit het gelijknamige toneelstuk krijgen in dit werk een eigen muzikaal thema. Met deze compositie voor groot orkest wilde Schönberg zijn collega's Wagner en Richard Strauss. Het werk bevat nog geen atonaliteit of serialisme, maar is eerder laat-romantisch van aard. Het GMJO werd op initiatief van Abbado opgericht in Wenen in 1986. Door de hoge artistieke kwaleit en hun internationale succes hebben al vele grote dirigenten en solisten samengewerkt met het jeugdorkest. Dit concert is opgenomen in de Musikverein te Wenen in 2006. Soliste is de Duitse sopraan Juliane Banse (1969).
03:35
Abbado dirigeert Mahler No. 4 & Rückert-Lieder
Mezzosopraan Magdalena Kožená laat niet alleen de ‘hemelse geneugten’ weerklinken in het laatste deel van Gustav Mahlers Symfonie Nr. 4: eerder in het concert wijdt ze zichzelf aan de engelachtige schoonheid en intieme eenvoud van Mahlers Rückert Lieder. Vrijwel alle liederen die Mahler vóór 1900 componeerde baseerde hij op teksten uit Des Knaben Wunderhorn, een collectie volksgedichten uitgegeven door Clemens Brentano en Achim von Arnim. Later richtte Mahler zich op het werk van één dichter, de Frankische orientalist en vertaler Friedrich Rückert. Mahler gaf toe dat diens gedichten hem zo diep raakten dat het voelde alsof hij ze zelf had geschreven. In het laatste Lied, Ich bin der Welt abhanden gekommen, citeert hij een frase uit het Adagio van zijn Symfonie Nr. 4. Toen men hem vroeg wat dat wilde zeggen, legde hij uit dat dit citaat hemzelf belichaamde.